Vleugellam

Als klein meisje van een jaar of zes was ik niet echt bang aangelegd, maar op één punt ging het niet zo lekker: ik had vliegtuigangst. Zeker niet te verwarren met vliegangst, vliegen had ik nog nooit gedaan. Nee, ik was bang voor overvliegende vliegtuigen, of meer: neerstortende vliegtuigen. Ik vermoed dat er in de krant een verslag heeft gestaan van een net voltrokken vliegramp. En sinds ik besefte dat vliegtuigen niet alleen vliegen, maar soms ook uit de lucht konden vallen, ontwikkelde ik een serieuze angst. En ik kan je uit eigen ervaring vertellen: er zijn véél vliegtuigen.

Nu kun je me een beetje uitlachen, maar het beïnvloedde toch wel redelijk mijn lieve jonge leventje. Daar waar alle kinderen zonder zorgen buiten speelden, liep ik constant angstvallig omhoog te kijken en hield ik als een fanatieke vliegtuigspotter het luchtruim nauwlettend in de gaten. Wanneer er een vliegtuig iets lager vloog dan op ‘stip-plus-streep-hoogte’, schoot ik zo snel als mijn kleine beentjes mij dragen konden richting de schuur of achterdeur en stond binnen als een lam vogeltje met mijn oren dicht te wachten tot het gevaar geweken was. Het struisvogelmotto ‘zie ik het vliegtuig niet, dan ziet het vliegtuig mij ook niet’ werkte gelukkig prima voor me.

Er waren echter situaties dat ik niet zo makkelijk onderdak kon vinden. Neem nou die akelige zwemles in ons openlucht zwembad. Géén dak wat me zou beschermen tegen een luchtaanval. Er was enkel een inham met reling in een betonnen wand, waarin geen plaats was voor mijn lijf. Maar mijn bange hoofd paste er wel heel dicht tegenaan en daar maakte ik dankbaar gebruik van. Het werd dus een kwestie van lekker blijven plakken, zo lang en dicht mogelijk tegen de kant. Dan speuren naar boven, met blik op de badmeester want die wilde dat ik zwom. Check check dubbelcheck. Geen vliegtuig? Dan begon ik mijn spetterende vlucht naar de veilige overkant. Mijn hoofd in mijn nek en mijn ogen nog steeds ten hemel gericht, totaal de aangeleerde zwemtechniek vergetend. Toen ik na máánden eindelijk naar het diepe bad mocht, bleek ik een wonderkind: ik kon zwemmen met één arm en één been. De andere kon ik niet gebruiken want daar zat de badrand. Alles voor mijn veiligheid. En ja, mijn A-diploma halen duurde errug lang.

Mijn dieptepunt was wel toen een dorpsgenoot van een huizenblok verderop aanbelde bij mijn ouders: Een straaljager en het ontbreken van een schuilplaats zorgde voor regelrechte paniek. De beste optie was in mijn ogen een boom, waar ik nog steeds onder stond te krijsen en die ik weigerde te verlaten. Gelukkig trotseerde mijn moeder het dreigende luchtruim en haalde me onder de boom vandaan. En ja, ik heb echt wel een beetje medelijden met mijn kleine zelf als ik dit zo schrijf.

Gelukkig werd het minder hoor. Toen ik wat ouder was, had ik door dat vliegtuigen natuurlijk niet zomaar verticaal ‘plop’ naar beneden vallen, maar dat ze altijd nog wel een stuk horizontaal dalen. Dus had ik bedacht dat áls er dan een neerstortend vliegtuig recht op me af zou komen, ik er dan juist naar toe zou rennen. Zodat hij over me heen vloog en dan achter me neer zou storten. Ik was toen al slim!

Hoewel mijn vriendschap met vliegtuigen geen vliegende start gemaakt heeft, ben ik er overheen gekomen: ik betreed met regelmaat een vliegtuig. Behalve wat misselijkheid en af en toe een stinkende buurvlieger heb ik nergens meer last van. Enjoy your flight!

No Comments

Leave a Comment