Sprong in het diepe

Het is je vást niet ontgaan (en anders zou ik toch een bezoekje huisarts overwegen): deze zomer vielen de mussen dood van het dak. Zoveel zon hebben we in jaren niet gezien. Zodra ergens in juli de zon doorbrak, vreesde ik het al. Dé vraag En ja hoor, na vier zonnestralen was hij daar: ‘Mam! Gaan we zwemmen?’ Dikke schrik, diepe zucht, lood in mijn schoenen. Ik heb aan drie dingen een grondige hekel. Dat is zwemmen, zwemmen en vooral: zwemmen. En dan nog het meest aan zwemmen. Ik kan geen enkel voordeel verzinnen, alle alternatieven zijn beter. Het is koud, nat, vies en veroorzaakt lichte paniek wanneer ik natuurwateren betreed. Het is oh zo leuk voor kinderen, maar laat ik dat nou al even niet meer zijn… Mijn tegeltjeswijsheid hierover: zwemmen is voor vissen.

In een zwembad loop ik het liefst chronisch op mijn badslippers. Andermans haren aan je voeten, ronddwalende pleisters, loslatende huid en nagels, een toilet met de onduidelijkheid welke samenstelling het zichtbare vocht heeft: dikke YEK. Maar om er een positieve draai aan te geven: in 2017 onderzochten een aantal Canadezen dat er maar 1 liter plas op 11.000 liter water rondzwemt, dat is minder dan 1%. Dat vond ik dan weer pee-nuts.

De ellende begint al met het feit dat je ineens alle schaamte moet laten varen en jezelf bloot moet geven in een bikini of andere zwemoutfit. Ik heb een fantastisch-ingewikkelde-met-veel-touwtjes-merk-bikini gekocht voor die ene zwemgelegenheid in het jaar. Mijn vriend werd zonder meer al blij toen ik de naam van de ontwerpster noemde, dus ik heb hem maar gehouden. En zo wandelde ik deze vakantie in dé bikini richting het meertje op de camping. Mijn plan was net zo mooi omlijnd als mijn bovenlijf: mijn comfortzone was de 2 m2 handdoek op het strandje en daar ging ik geen centimeter van wijken…

En dan is daar die morele verplichting hè. Die ene zwemgelegenheid in het jaar. ‘Mam, kom jij nou óók een keer.’ Dat kun je dan niet negeren, iets met moederplicht. Dus ja hoor: ik heb de onderste helft van mijn lijf in Loch Camping gewaagd. Daar waar de kikkers welig paarden, ik zag namelijk heel veel schattige mini-kikkers, dus pa en ma Kikker hielden ergens in datzelfde meer huis. Daar waar in het ondiepe, maar ondoorzichtige water vast nog veel meer levende monstertjes leefden.

Maar ik liet me niet kennen: al lopend demonstreerde ik een elegante vogel. Ik tilde mijn voeten én armen bij elke stap zo hoog mogelijk op, gruwde onzichtbaar, drukte mijn paniek weg, speurde zwevend met één been boven het water als een kraanvogel in het wazige water naar eventueel aanwezige vis. Ik glibberde met mijn voet langs wat waterplanten naar beneden, kneep álles samen om die blubberige massa niet tussen mijn tenen te voelen en gilde maar een enkele keer wanneer mijn voet verdween in een combinatie van onbestemd hard en zacht wat ik niet kon zien. Ik genoot.

Mijn lief gaf achteraf met alle liefde een – volgens hem – realistische demonstratie hoe ik door het meer trippelde. Ik kan je melden: dat leek beslist niet op de sierlijke kraanvogel die ik voor ogen had. Wist je dat kraanvogels ook vies kunnen kijken? En mijn zoontje? Die had het te druk met de vrolijk spetterende eend uit te hangen, aan de andere kant van het meer. Maar voor hem deed ik het. Daar was ik ondanks alles trots op. Als een pauw.

♥ Jell

Column De Kantlijn – Nr 01 – September 2018

 

No Comments

Leave a Comment