Spinnenkop

Zo aan het eind van een werkdag vind ik het lekker om me uit mijn spijkerbroek te pellen en mezelf in een te grote joggingbroek te hijsen. Heerlijk ongestoord hangen. Maar juist op dat moment, op de grens van rennen naar relax, zag ik haar zitten. ‘Iew!’ zei ik. Vriendlief, die net even ‘een momentje voor zichzelf had’ in de aangrenzende badkamer, reageerde gedwee: ‘Wat is er?’

‘Een spin! Er zit een spin in de slaapkamer. Hij is zwart, die moeten we wel vangen voor we gaan slapen, ik ga écht niet slapen met dat beest in de slaapkamer! Wil jij hem zo vangen? Waar komt zo’n beest nou vandaan. Zou er ergens nog één zitten? Ze komen altijd met z’n tweeën.’ Jep, het klonk best wijverig. Er kwam een belofte – vergezeld van een meewarig snuifje – dat hij het beest zou vangen, dat was mooi. Thuis heb ik niet zo’n mannelijke held voorhanden en doe ik dat, voorzien van wat kippenvel, zelf. Gewapend met de stofzuigerstang op de langste stand en een stofzuiger die na het opzuigen nog een uur draait. Zodat de spin stoflongetjes heeft en ik zeker weet dat hij hieraan overlijdt, ‘t arme beest. Bij de echte joekels bind ik voor de zekerheid nog een zakje om de stang, met spinnen kun je nooit voorzichtig genoeg zijn.

Maar nu bleef ik in de slaapkamer staan en deed even niets: de man in huis is tenslotte de spinnenvanger in huis. Niks emancipatie. Met argusogen hield ik de spin in de gaten. Je weet namelijk nooit of ze een sprintje trekt, en vooral niet waar ze dan verdwijnt. In een ongelukkig geval maakt ze een nestje met babyspinnen in mijn oksel terwijl ik slaap.

Twee minuten later kwam er van achter de badkamerdeur: ‘Zeg, sta je nou nog steeds hier voor de deur?’ Dat leek me wel vrij logisch, ik moest dat beest toch in de gaten houden. Ik humde bevestigend en om het geheel iets aan te dikken zei ik: ‘Ik zweer je, het is een vrouwtje. Want ze is niet alleen hoor, neehee, ze heeft zéker 680 babyspinnen in haar buik. Die er straks allemaal uitkomen.’ Om te voorkomen dat ik later uitgemaakt zou worden voor ‘wijf, om zo’n klein spinnetje’ en ik toch vaak pretendeer stoer te zijn, zwakte ik het spinnebeest toch maar wat af: ‘Ze is niet zo groot hoor, maar wél dik, heel dik.’

Er werd me duidelijk gemaakt dat posten vlak voor de deur niet bevorderlijk was voor de voortgang in de badkamer, dus met een laatste hypnotiserende blik op moeder spin, liep ik toch maar met lood in mijn sloffen naar beneden, roepend richting de badkamer dat hij níét achter me aan moest komen rennen met die spin. Misschien ook nog met de liefdevolle bedreiging ‘want dan doe ik je wat.’ Ik had zo’n ex hé, die me dan achterna zat met een spin. Gillend rende ik dan door het huis, ik vond het echt níét leuk. Hij is dus mijn ex.

Maar… geen gillende taferelen en achtervolgingen dit keer, mijn held kwam beneden met de boodschap dat hij de spin vrijgelaten had. Ik smolt al lichtelijk, het is tenslotte toch de beste oplossing voor de spin en ik vond het lief. Die smelt heb ik gestaakt, want hij vervolgde: ‘In de wc…’ 

♥ Jell

Column De Kantlijn – Nr 10 – Juni 2019

P.S. Meer kriebelverhalen? Volg Jell op haar Facebookpagina!

No Comments

Leave a Comment