Krapjes

Een aantal weken geleden besloten mijn zusje en ik de wind te trotseren en lekker een stukje te gaan lopen. Ik ben vrij sportief aangelegd en loop graag, zij is een wandelaar. Ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ze aardig door pootte en ik er een schepje bovenop moest doen om haar bij te houden. Maar ik liet me niet kennen, praatte gezellig door en het enige wat je aan me merkte, was dat ik wat harder hijgde dan tijdens een normaal gesprek.

Het is een smal, maar tof paadje: het wandelpad in Lekkerland vlak langs de molen, door het weiland en dan via de Tiendweg terug naar het dorp. Maar eer we in het weiland aangeland waren … Op het moment dat ik mijn voet half door het gras – doordat we naast elkaar liepen – op het pad zette, gaf mijn zusje een ruk aan mijn arm. Geschrokken door haar beweging én gil, rende ik zo snel ik kon terug in de kielzog van zuslief. Ik had géén idee waarvoor ik rende, maar het leek een zaak op leven en dood. Voor het dramatische effect gilde ik ook maar mee, ik blijf tenslotte toch een wijf. Van dat terugrennen had ik spijt, ik had beter verder kunnen lopen.

Onze weg werd namelijk versperd door iets van een turf hoog: een heel boze en vooral enge krab. Hij stond daar – op zijn dwarse modderige achterpootjes – vlak naast het pad, tien centimeter naast waar net nog míjn pootje stond. Zijn indrukwekkende scharen had hij als twee mini armpjes recht omhoog staan en iedere keer als we ook maar één stap dichterbij durfden te komen, stak meneer krab ze als een boze Popeye strak de lucht in. En zag hij er gevaarlijk uit. Nóg een geheim wapen: in de rugdekking stond zijn driekwart turf hoge maatje, ook al in gevechtshouding …

Het ging ons natuurlijk niet gebeuren dat we thuis zouden moeten vertellen dat we rechtsomkeert gemaakt hadden voor een beestje van net 15 cm hoog. Míjn grootste angst was dat het beest kon springen. Maar Google weet raad: krabben kunnen niet springen. We konden over op ons aanvalsplan, wat er simpelweg op neerkwam dat ik een aanloop zou nemen en als een gek langs de grijpgrage krab zou rennen. Na rijp beraad van zo’n vijf minuten en tien minuten: ‘Nú gaan we’, ‘IIIEEEEE!’, ‘Nee, toch maar niet’, deed ik het: Ik rende zo hard ik kon en met grote stappen. Ik bedacht halverwege dat ik hard, heel hard zou huilen en hard, heel hard zou krijsen als dat beest tóch kon springen en zich zou vergrijpen aan mijn kuit. Want hoe betrouwbaar is Google nu hè. Op het moment dat ik langs de rugdek king kwam, kneep ik mijn ogen dicht – dat was niet volgens aanvalsplan – en rende als een bezetene met mijn ogen dicht langs de uitgestoken armpjes.

Zo’n 20 meter verder stond ik stil, het zweet op mijn rug, maar zónder krab aan mijn kuit. Toen heb ik zus gelokt, die natuurlijk goed had bekeken of de krab los was gekomen van het gras. Dat was niet zo. De rest van de tocht, dwars door het weiland, hebben we elke grasspriet nauwlettend in de gaten gehouden. Je weet tenslotte nooit wie het op je benen gemunt heeft. Mijn vriend zei dat ik het tweetal had moeten vangen, om op te eten. Nooit van mijn leven, ik loop wel gewoon rustig naar de supermarkt voor een bakje krabsalade. Véél veiliger.

♥ Jell

P.S. Meer krappe avonturen lezen? Volg Jell op Facebook!

No Comments

Leave a Comment